Ontslagvergoeding wel of niet in huwelijksgoederengemeenschap?

GEEN ANDERE VERDELING VAN DE ONTSLAGVERGOEDING BIJ ECHTSCHEIDING WANNEER DOEL NIET IS BEWEZEN

X en Y getrouwd in gemeenschap van goederen, vragen hun echtscheiding aan. Y heeft in 2013 een ontslagvergoeding ontvangen van haar werkgever. Het bedrag diende volgens Y voor aanvulling op haar inkomen tot aan haar verwachte pensioendatum in 2043. X is het daar niet mee eens en eist de helft van de volledige ontslagvergoeding. De rechtbank gaat daarin mee

Valt de ontslagvergoeding wel of niet geheel in de verdeling?

Y heeft van haar toenmalige werkgever een vergoeding van € 33.905,79 ter vervanging van te derven inkomsten dan wel ter aanvulling op een lager te verdienen salaris elders ontvangen. De vergoeding is gestort op de gouden handdruk opbouwregeling. X meent dat het saldo op deze bankrekening volledig in de huwelijksgoederengemeenschap van X en Y valt. X acht deze vergoeding niet verknocht aan Y, omdat zij sinds haar ontslag een aanzienlijk lager inkomen heeft, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de ontslagvergoeding bedoeld is als inkomenssuppletie voor de periode van 2014 tot de datum van het ontbinden van de huwelijksgoederengemeenschap. X wil dat de rekening aan Y wordt toebedeeld onder vergoeding van de helft van het saldo op datum echtscheiding aan hemzelf.

Y vindt onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode voor en de periode na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Y meent dat ontslagvergoeding is bedoeld ter compensatie van toekomstig inkomensverlies, en daarom dient te worden verdeeld over de jaren tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van Y (24 november 2043). De periode van ontvangst ontslagvergoeding tot de pensioengerechtigde leeftijd van Y bedraagt 363 maanden. Per maand zou de ontslagvergoeding dan ook € 100,89 zijn. De periode van ontvangst ontslagvergoeding en de datum van ontbinden van de huwelijksgoederengemeenschap is 74 maanden. Daarom valt een bedrag van  € 7.465,86 (€ 100,89 x 74) volgens Y in de huwelijksgemeenschap en moet verdeeld worden. Het resterende bedrag van € 29.155,98 is aan haar verknocht, aldus Y. Zij verwees daarbij naar eerdere uitspraken van de Hoge Raad op 23 februari 2018.

Doel van ontslagvergoeding niet aangetoond.

Ook de rechtbank haalt de uitspraak van de Hoge Raad op 23 februari 2018 aan, waarin de Hoge Raad vaststelt dat een ontslagvergoeding die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten, niet in de gemeenschap valt voor zover deze ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap.  (Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270). De rechtbank stelt vast  dat in geschil is de vraag welk deel van de ontslagvergoeding c.q. het saldo op de gouden handdruk opbouwrekening ziet op de huwelijkse periode en daardoor in de huwelijksgoederengemeenschap valt en welk deel ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, waardoor dit deel verknocht is aan Y. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat Y - na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in 2013 tot heden - een veel lager inkomen heeft gehad. X heeft dit inkomensverlies opgevangen en Y heeft de ontslagvergoeding op de gouden handdruk opbouwrekening gestort en niet hoeven gebruiken. Maar, het is niet van belang of Y deze ontslagvergoeding daadwerkelijk heeft gebruikt. Wel van belang is, naar het oordeel van de rechtbank, dat niet is gebleken dat het doel van deze ontslagvergoeding is om, zoals de Y stelt, ‘uitgesmeerd’ te worden tot de pensioengerechtigde leeftijd. De man heeft dit betwist en Y heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Ook uit de vaststellingsovereenkomst blijkt niet dat dit de strekking van de ontslagvergoeding is geweest. Ook gezien het feit dat de Y in 2013 37 jaar oud was, is de rechtbank van oordeel dat de vergoeding alleen bedoeld was als inkomenssuppletie in de eerste periode na het ontslag van Y. Door het niet gebruiken van de vergoeding is ingeteerd op ander vermogen van X en Y. Uit een berekening van X blijkt dat wanneer de ontslagvergoeding wel was gebruikt voor aanvulling van het inkomen van Y, de vergoeding al na 14 maanden was opgebruikt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de ontslagvergoeding geheel in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen valt en dat het saldo op de gouden handdruk opbouwrekening bij helfte tussen X en Y moet worden verdeeld.

Conclusie

Y heeft bij haar ontslag een vaststellingsovereenkomst getekend, waarin staat dat zij een ontslagvergoeding krijgt ter vervangen van gederfd inkomen of voor aanvulling van eventueel lager inkomen. Volgens de rechtbank heeft zij niet aangetoond dat de ontslagvergoeding bedoeld was om te gebruiken tot aan haar pensioendatum als aanvulling op haar inkomen. Alleen om die reden valt de volledige ontslagvergoeding in de huwelijksgemeenschap en niet slechts een vierde deel, zoals Y had berekend.

Bron: rechtbank Gelderland, 15 juli 2020